De toekomst van cluster 2 in een inclusief onderwijssysteem

Het Nederlandse onderwijs bevindt zich midden in een transitie naar een inclusief systeem. Leerlingen volgen onderwijs in hun eigen omgeving, samen met leeftijdsgenoten en met ondersteuning die aansluit bij hun onderwijsbehoeften. Deze ontwikkeling heeft gevolgen voor alle vormen van gespecialiseerd onderwijs. Hieronder gaan we in op de gevolgen voor cluster 2.

Cluster 2 biedt onderwijs en ondersteuning aan leerlingen met een auditieve beperking of een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Net als cluster 1 wordt cluster 2 landelijk gefinancierd en valt het buiten de samenwerkingsverbanden. Tegelijkertijd kent cluster 2 een andere dynamiek dan cluster 1. Er zijn meer locaties voor (voortgezet) speciaal onderwijs en de doelgroep is breder. Naast leerlingen met een auditieve beperking gaat het om een grote groep leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis, een diagnose die steeds vaker en op jongere leeftijd wordt gesteld.

Juist daardoor is de beweging naar inclusief onderwijs binnen cluster 2 complex. Het gaat niet alleen om de vraag hoe leerlingen vaker onderwijs kunnen volgen op reguliere scholen. Het vraagt ook om een verschuiving van een medisch-individuele benadering naar een meer sociaal-contextueel perspectief. Daarnaast roept de ontwikkeling vragen op over de organisatie van expertise. Welke kennis moet aanwezig zijn in reguliere scholen? Welke expertise vraagt om regionale borging? En welke hoogspecialistische kennis blijft gebaat bij een landelijke infrastructuur?

Samen vormen deze vraagstukken de kern van het gesprek over de toekomst van cluster 2 binnen een inclusief onderwijssysteem.

Wat zegt het onderzoek?

Uit recent onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut blijkt dat er breed draagvlak bestaat voor de ambitie van inclusief onderwijs binnen cluster 2. Betrokkenen zien kansen om meer leerlingen onderwijs te laten volgen in reguliere scholen, mits passende expertise en ondersteuning beschikbaar blijven. Samenwerking tussen cluster 2 en regulier onderwijs kan dan ook bijdragen aan zowel de participatie van leerlingen als de ondersteuningsmogelijkheden van scholen.

Tegelijkertijd worden ook belangrijke risico’s benoemd. Een veelgenoemde zorg is het behoud van specialistische expertise. Naarmate minder leerlingen gebruikmaken van gespecialiseerde voorzieningen bestaat het risico dat kennis versnipperd raakt of minder zichtbaar wordt. Daarnaast geven veel scholen aan dat zij nog niet altijd voldoende zijn toegerust om leerlingen met een auditieve beperking of een taalontwikkelingsstoornis zelfstandig te ondersteunen.

Ook de huidige inrichting van financiering, verantwoordelijkheden en samenwerking sluit niet altijd goed aan bij de ambities rond inclusief onderwijs.

Van specialistische voorziening naar specialistische expertise

De beweging naar inclusief onderwijs verandert de rol van cluster 2 voorzieningen. Waar ondersteuning voorheen sterk verbonden was aan aparte schoollocaties voor (voortgezet) speciaal onderwijs, verschuift de aandacht steeds meer naar het beschikbaar maken van expertise binnen reguliere scholen en het bieden van ambulante begeleiding op de reguliere scholen.

Dat betekent niet dat specialistische kennis minder belangrijk wordt. Integendeel. Juist wanneer meer leerlingen onderwijs volgen in het regulier onderwijs, neemt de behoefte toe aan expertise op het gebied van communicatie, taalontwikkeling en gehoorproblematiek. Juist binnen het cluster 2-onderwijs is op deze gebieden een schat aan kennis en ervaring aanwezig.

De vraag is hoe specialistische expertise beschikbaar blijft en hoe de expertise “op peil” wordt gehouden binnen een inclusiever onderwijssysteem. Betekent dit dat kennis steeds meer wordt overgedragen aan reguliere scholen en dat leerlingen met een lichtere ondersteuningsbehoefte daar onderwijs volgen? Of ontwikkelen regulier en gespecialiseerd onderwijs juist meer integrale vormen van ondersteuning waarin expertise gezamenlijk wordt georganiseerd?

Ook de rol van onderwijsprofessionals verandert. Gaan specialisten uit het cluster 2-onderwijs vooral een ambulante ondersteuningsrol vervullen? Werken zij als co-teacher binnen reguliere scholen? Of ontstaan nieuwe hybride functies waarin onderwijs en expertise dichter bij elkaar worden gebracht?

En hoe wordt deze expertise georganiseerd? Werken professionals vanuit een regionaal georganiseerd expertisecentrum, vanuit gespecialiseerde voorzieningen of juist vanuit kleinere satellietlocaties waarin expertise uit verschillende clusters samenkomt?

De toekomst vraagt om nieuwe vormen van samenwerking tussen gespecialiseerde voorzieningen, reguliere scholen, samenwerkingsverbanden, gemeenten en andere partners rondom de leerling.

Vooruitkijken: van visie naar scenario’s

De meervoudige ontwikkelingen binnen cluster 2 vragen om meer dan alleen aanpassingen in ondersteuning. Ze vragen om een gesprek over de toekomstige rol en positie van het cluster 2-onderwijs binnen een inclusief stelsel. Er bestaat brede steun voor meer inclusie, maar er is ook onzekerheid rondom expertisebehoud, samenwerking en organisatie.

Juist daarom is het waardevol om niet uit te gaan van één vaste toekomst, maar verschillende ontwikkelrichtingen te verkennen. Hiervoor kunnen de toekomstscenario’s voor de samenwerking tussen regulier en gespecialiseerd onderwijs worden ingezet. De scenario’s zijn bedoeld om het gesprek op lokaal niveau te ondersteunen over keuzes waarvoor nog geen eenduidige landelijke antwoorden bestaan. Want voor veel cluster 2-scholen zijn deze keuzes al actueel. Soms omdat zij zelf de beweging naar inclusiever onderwijs willen maken, soms omdat samenwerkingspartners die ontwikkeling inzetten, en soms omdat leerlingen en ouders op zoek zijn naar een passende plek binnen het regulier onderwijs.

Voor de besturen van cluster 2 scholen betekent dit dat er strategische keuzes gemaakt moeten worden over de toekomst van hun organisatie, huisvesting, onderwijsprofessionals en leerlingen. Door verschillende toekomstbeelden te verkennen kunnen bestuurders, samenwerkingsverbanden en cluster 2-organisaties tijdig het gesprek hierover voeren en keuzes maken waarmee steeds meer kinderen thuisnabij naar het regulier onderwijs gaan én specialistische kennis goed geborgd wordt.