12 Gouden tips voor het voorlezen in de kinderopvang

Deze tips zijn vooral bedoeld voor professionals in de kinderopvang die voorlezen in de groep. Maar ook ouders kunnen met deze ideeën een nog groter feest maken van het voorleesritueel.

 

Voordat je gaat voorlezen

1. Lees het boek goed voordat je gaat voorlezen. Bedenk vooraf wat je gaat vragen en uitleggen tijdens of na het voorlezen. Let erop dat het boek aansluit bij de leeftijd van de kinderen. Juist in groepsverband in de opvang kun je soms ook kiezen voor een iets moeilijker boek, dat je goed toelicht.

2. Bekijk vooraf welke woorden onbekend zullen zijn voor de kinderen en bedenk hoe je die gaat uitleggen. Selecteer niet meer dan drie woorden om uit te leggen; kies voor  woorden die belangrijk zijn voor het begrip van het verhaal. Als het boek een groot aantal onbekende woorden bevat, kun je beter een ander boek kiezen.

3. Kies een vast moment en een vaste, gezellige plek om voor te lezen. Zo wordt voorlezen een onderdeel van iedere dag, waar kinderen vaak naar uitkijken.

 

Tijdens het voorlezen

4. Kies een kleine groep kinderen om aan voor te lezen, liever niet meer dan vijf kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd. In een kleinere groep kunnen kinderen beter over het boek praten. Zet de kinderen zo neer dat ze allemaal het boek goed kunnen zien.

5. Wijs de titel aan, lees de titel voor en praat over de afbeelding op de kaft van het boek. Waar zou het verhaal over gaan? Maak de kinderen nieuwsgierig naar het verhaal.

6. Lees het verhaal voor en bekijk samen de afbeeldingen. Leg de woorden die je hebt geselecteerd kort uit tijdens het voorlezen. Kinderen kunnen deze onderbreking van het verhaal probleemloos aan. Je helpt ze door je uitleg om het verhaal beter te begrijpen.

7. Laat de kinderen gerust opmerkingen maken terwijl je voorleest. Het is goed voor de taalontwikkeling als de kinderen praten, dus alle opmerkingen zijn goed. Zo kun je ook peilen wat de kinderen al begrijpen en waar ze nog meer uitleg bij nodig hebben. Neem de opmerkingen serieus, ga erop in. Zorg dat alle kinderen hun zegje kunnen doen, ook de kinderen die wat aansporing nodig hebben.

8. Als je merkt dat de kinderen een woord niet kennen, leg dat dan meteen uit. Vraag niet: “Wie weet wat dat is?”, maar geef direct de betekenis van het woord.

9. Vraag op spannende momenten aan de kinderen hoe het verhaal verder zou kunnen gaan. Zo leren kinderen de verbanden tussen oorzaak en gevolg en tussen de motieven van de personages en hun gedrag. De kinderen worden aangespoord om zelf na te denken en hun gedachten onder woorden te brengen.

10. Maak bij het voorlezen geluiden of bewegingen die passen bij de tekst en vraag de kinderen om dit na/mee te doen. Dit zorgt er ook voor dat kinderen het verhaal beter onthouden. Je zult met verbazing zien hoe goed zij de bewegingen of geluiden een volgende keer kunnen meedoen.

 

Na het voorlezen

11. Praat met elkaar na over het verhaal. Waar ging het ook weer over? Hebben de kinderen zelf wel eens zoiets meegemaakt? Wat zouden ze doen in zo’n situatie? Het is leerzaam om de gebeurtenissen uit het verhaal te koppelen aan hun eigen leven. Stel open vragen en laat de kinderen maar vertellen!

12. Herhaling is het sleutelwoord! Waarschijnlijk vragen de kinderen om het boek nog een keer voor te lezen. Dat is goed. De kinderen leren er iedere keer weer iets nieuws van, totdat ze het verhaal misschien zelfs naspelen in een rollenspel of zelf ‘voorlezen’ aan andere kinderen.

 

Wat levert voorlezen op voor de taalontwikkeling?

Wil je meer weten over de effecten van voorlezen op de taalontwikkeling? De brochure Meer voorlezen, beter in taal beschrijft op een toegankelijke manier de belangrijkste inzichten uit wetenschappelijk onderzoek naar dit onderwerp. De brochure is geschreven door Kees Broekhof en Maryse Nijhof-Broek, in opdracht van Kunst van Lezen. Download hier de brochure.